"Jij de woorden, ik de witregels en de komma’s"

 

Koningshooikt, 11 januari 2010

Beste Spinvis, Erik,

Daar zaten we dan, in de schouwburg onder in de New York Times Building. We hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Jij wist volstrekt niet wie ik was of wat ik deed, ik kende jou alleen van naam, althans die van je tweede ik: Spinvis.

Het was september 2009, vierhonderd jaar eerder had kapitein Henry Hudson, varend onder Nederlandse vlag, het eiland Manhattan ontdekt. Een verdieping of dertig boven ons zaten op hetzelfde ogenblik jouw kroonhoofd Willem-Alexander en vele andere genodigden te dineren om dit heuglijke feit te vieren. Ook jij en ik waren om deze reden naar ginds gehaald, maar hoger dan de kelder van het gebouw mochten we niet komen. Elk moet zijn plaats kennen in deze wereld. Wij waren al meer dan blij dat we op andermans kosten de Grote Oversteek mochten maken om, in mijn geval, een paar minuten voor te lezen en in jouw geval enkele nummers te spelen.

Ik had die avond het spits afgebeten, voor het eerst in het Engels, en toen ik naar mijn plaats terugkeerde knikte je me geruststellend toe: ik had het goed gedaan. Dat was een opluchting. Ik voel me alleen in de jas van mijn moedertaal op mijn gemak. Na mij kwamen Sarah Bettens, Tommy Wieringa en een erg geestige Joke van Leeuwen.

En toen dus jij. De zaal zat vol. Een man of 300. Bijna allemaal naar Amerika uitgeweken Nederlanders die waarschijnlijk liever op het diner van hun kroonprins hadden gezeten. Je apparatuur was tijdens de vlucht naar New York beschadigd geraakt. Geen ritme- of sampleboxen dus of hoe heetten die dingen waaruit jij, zag ik later, klanken en geluiden tovert zoals een sjamaan geesten oproept. Zelfs uit een steen krijg jij nog muziek.

Maar die avond in New York moest je het zonder je magische machinerie stellen. Je loste dat dan geniaal op door gebruik te maken van de levende ritmeboxen die ook al enkele dagen in New York rondhingen: de jongens en meisjes van de circusschool uit Heverlee. Jonglerend en steltenlopend hadden ze de boel vooraf al opgevrolijkt, toen ze ineens tijdens je optreden hun stoel in de zaal verlieten en je begonnen te begeleiden, daarbij trommelend op dozen, bekers, blikken en alles wat maar voorhanden was. Een staande ovatie was meer dan terecht jullie deel. Later vertelde je me dat je pas kort voor je optreden had bedacht hen erbij te betrekken en dat er amper was gerepeteerd. Ik zei het al: geniaal.

Het was voor mij de tweede verrassing tijdens je optreden. Over de eerste heb ik je achteraf aangesproken. Ik zei dat ik overdonderd was door je teksten. Dat het pure poëzie was. In mijn hoofd waren zinnen achtergebleven waarvoor ik zo een heel boek van mij had willen omruilen. Deze uit ‘Voor ik vergeet’ bijvoorbeeld: ‘Voor ik vergeet dat ik jarig was en een tic-tac in mijn neusgat had toen we naar zeeland zijn gegaan.’ Of deze uit het ontroerende ‘Ronnie’: ‘Ronnie gaat naar huis zijn glimlach maakt het zomer voor altijd.’

Je beheerst de kunst om veel te zeggen in weinig woorden. Om tussen de regels hele levens op te roepen. Dat is weinigen gegeven. Ik oefen er al tientallen jaren op. Het lukt me slechts nu en dan.

Op mijn complimenten reageerde je zoals een hond die door een vreemde wordt gestreeld. Dankbaar kwispelend, maar toch enigszins op zijn hoede. Je was vooral zeer bescheiden, bedacht ik later – of je vond me maar een vreemde vogel, dat kon ook. Ik vroeg je die avond of je teksten ooit in boekvorm gebundeld waren. Dat ontkende je en ik meende dat je licht huiverde bij de gedachte je woorden gedrukt te zien. We zijn er toen niet op doorgegaan, we moesten nog de New Yorkse nacht in.

Een paar maanden later hebben we elkaar teruggezien. Je trad op in het Felixpakhuis in Antwerpen. Deze keer had je alle toeters en bellen bij je, ja zelfs video. Het was een warm concert ondanks de kilte van die loods waar jaren her nog cacao en ivoor uit Congo werden opgeslagen. Na je optreden zwaaide ik je weer welgemeende lof toe en ik kwam toen terug op het bundelen van je teksten. Je zei dat je je woorden niet zonder muziek zag. Dat het een het ander aanvult. Ik reageerde door te zeggen dat de beelden die je vertoonde en je fysieke aanwezigheid op het podium je muziek en je woorden ook versterkten en dat dat toch geen reden is om alleen nog maar Spinvis op deeveedee uit te brengen. Daar had ik een punt, zei je. Je teksten zijn sterk genoeg, drong ik aan, een dichter zou ze zo willen hebben. Het lijkt me zo moeilijk, zei je toen, dan moet ik op zoek naar komma’s en witregels en zo. Dat begreep ik helemaal. En ergens was ik blij dat je niet meer huiverig tegenover mijn idee stond. Ik schrijf je er nog wel over, zei ik ten slotte, ergens rond de kerst.

Het is een paar weken later geworden, maar hier ben ik terug, beste Spinvis. Ik heb intussen drie ceedees van je gekocht. Voor vijftien euro zowaar. Je hele carrière van 2002 tot 2007. En weet je waar ik ze heb gevonden? In de boekhandel! Je lag bij de luisterboeken, tussen Knielen op een bed violen en Harry Potter en de geheime kamer. Nu is het nog slechts een kleine stap naar een echt boek, dacht ik meteen. Laat ik opnieuw proberen hem te overtuigen. En daarom, beste Erik, nogmaals, zullen we je teksten, die prachtige poëzie van je, dat mooie Nederlands, in een verzamelbundel gieten? Denk er nog een keer over na, als je wil. En als je het moeilijk vindt, help ik je graag. Jij de woorden, ik de witregels en de komma’s, dat lijkt me een mooie deal. Elk moet zijn plaats kennen in deze wereld.

Met een meer dan diepe buiging,

Stefan Brijs