Open brief over de cultuurprijzen aan componist Luc Brewaeys
Geachte heer Brewaeys,
Laat mij u eerst feliciteren met uw nominatie voor de Vlaamse Cultuurprijzen. Dat er juryleden aan u denken lijkt mij in ieder geval een teken van waardering voor uw werk en talent. Deze mensen valt dan ook weinig te verwijten, behalve dat ze zich lenen voor een spektakel dat zijn doel volledig voorbijschiet, namelijk aandacht trekken voor cultuur in het algemeen en kunstenaars in het bijzonder. Ik wil u daarom tegelijk feliciteren voor het weigeren van uw nominatie en bijgevolg het deelnemen aan het circus dat de prijsuitreiking is.
Ikzelf was vorig jaar genomineerd in de categorie Proza voor mijn roman De engelenmaker en heb daar een kater van toch minstens enkele weken aan over gehouden. Jammer genoeg was dat niet van de drank die – het moet gezegd – na de prijsuitreiking in het Cultureel Centrum van Hasselt rijkelijk vloeide voor de meer dan 800 genodigden, van wie ik me echter nog steeds afvraag uit welke spelonken van de Vlaamse Cultuur zij tevoorschijn kwamen. Ik als genomineerde mocht welgeteld drie gasten meenemen, van wie er tijdens de uitreiking zelf slechts één aan mijn zijde mocht zitten. De andere twee moesten achter in de zaal een stoel zoeken. De 33 (!) genomineerden, in alles samen 11 (!) categorieën, hadden dus welbeschouwd een gevolg van amper honderd man mee.
Toen al had ik net zoals u, geachte heer Brewaeys, mijn bedenkingen over het verderfelijke systeem van nominaties, dat inderdaad een competitie creëert waarbij er winnaars en verliezers zijn, vooral omdat de winnaars een vette cheque van 12.500 euro mee naar huis krijgen en de anderen in het geheel niets, ja zelfs voor hun eigen kosten moeten opdraaien. In het geval van mijn Italiaanse vertaler Franco Paris, die vorig jaar genomineerd was in de categorie Vertalingen, betekende dit dat hij zowel zijn eigen reis, vanuit een stadje op 200 kilometer van Rome, als zijn verblijfkosten in ons kikkerlandje zelf moest betalen. Trots als hij was op de nominatie en vooral in de hoop dat hij zou winnen bracht hij, ondanks zijn belabberde financiële situatie – vertalers zijn in Italië nog grotere paria’s dan bij ons – zijn vrouw, zijn dochter en zijn moeder mee. Ik zie nog steeds zijn gezicht bleek wegtrekken toen hij hoorde dat de prijs niet naar hem ging. Gelukkig hadden hij en zijn familie kort voor de prijsuitreiking nog van een heerlijk diner kunnen genieten, betaald welteverstaan door mijn gulhartige Nederlandse uitgever. De schimmige organisatie achter de Cultuurprijzen bood elke genomineerde en wederom slechts een van diens gasten enkel een slap broodje en een stukje wortel aan. Voor de meer dan 800 genodigden waren er na de uitreiking karrenvrachten hapjes, die per schip via de Kanaalkom van Hasselt waren aangevoerd.
Nog schrijnender in het geval van mijn Italiaanse vertaler – maar ook voor de andere genomineerden die tijdens de uitreiking in spanning zaten te wachten – was dat de winnaars vooraf al op de hoogte waren gebracht van hun zege. Elk van hen kreeg immers een reportagemaker over de vloer, die een filmpje van enkele minuten over de winnaar kwam draaien. Die filmpjes werden op Canvas uitgezonden gelijktijdig met de uitreiking in Hasselt. Van een live-uitzending zoals in het verleden was geen sprake meer en dat was misschien maar goed ook, want de uitreiking was door de versnippering van de categorieën – van jeneverstokers tot brandweerlieden – gedegradeerd tot een spelletje namen noemen, waarbij elke genomineerde zeventien seconden en elke winnaar vijftig seconden aandacht kreeg.
In mijn discipline Honderd Meter Proza Schrijven ging de prijs uiteindelijk naar mijn geliefde en zeer gewaardeerde collega Anne Provoost, die in haar eindsprint ook Tom Lanoye had verslagen. De volgende dag werd in de pers haar werk streng afgewogen tegen dat van ons beiden, een discussie die zowel zij als ik erg pijnlijk vond, want hier hadden wij nooit om gevraagd. Maar dat is het gevolg als er, zoals dat voor elke categorie geldt, appelen met citroenen worden vergeleken, een van de redenen waarom u meer dan terecht uw nominatie weigert. Dat ik vorig jaar niet hetzelfde heb gedaan neem ik mezelf nog steeds kwalijk. Misschien was ik naïef, misschien was ik hebberig, het meest waarschijnlijk een combinatie van die twee.
Hoe het ook zij, daags na de uitreiking, heb ik bovenstaande wantoestanden schriftelijk aan de kaak gesteld bij de organisatie, die in handen was van Cultuurnet, een vlag waarvan ik geen idee heb welke lading die dekt. Tegelijk heb ik gevraagd of mijn Italiaanse vertaler alsnog een onkostenvergoeding kon krijgen. Mijn schrijven, dat niet het enige bleek, werd doorgeschoven naar het kabinet van toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux, dat het vervolgens welwillend verderstuurde naar – en ik citeer – ‘Cultuurnet die de evaluatie van de prijzen hebben opgesteld. […] Zij lieten mij weten tevreden te zijn met uw nuttige opmerkingen en zullen hier zeker rekening mee houden’. En over de kwestie van mijn vertaler luidde het antwoord ‘[…] dat we met zoveel genomineerden onmogelijk uitzonderingen kunnen maken.’
Uit de gang van zaken over de Cultuurprijzen voor dit jaar maak ik op dat er werkelijk niets veranderd is sinds het debacle van vorig jaar en ik wil u daarom nadrukkelijk bedanken voor uw moedige beslissing. Ik hoop dat ze onze nieuwe minister van Cultuur Joke Schauvliege snel tot inzichten mag brengen, want tot nader order klinkt het daar nog dat ‘de reactie van meneer Brewaeys een gelegenheid kan zijn om de selectieprocedure te herbekijken, maar voorlopig is dat te voorbarig.’
Ten slotte nog even dit: kreeg u ook twee maanden tevoren al te horen dat u was genomineerd, tegelijk met de vraag om ‘uw nominatie nog even geheim te houden (zélfs voor vrienden en familie)’?
Stefan Brijs
(De Morgen, 5 januari 2010)